Noodweer

  • Wetboek van Strafrecht, artikel 41 lid 1
    Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of een anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.
  • Noodzakelijke verdediging: Men moet handelen om erger te voorkomen.
  • Van aanranding van eigen of iemand anders lijf is sprake, als de aanval is gericht op het leven of op de schending van de integriteit van het lichaam.
  • De eerbaarheid is de integriteit van het lichaam in seksueel opzicht. Van verdediging van de eerbaarheid wordt gesproken als bijvoorbeeld een vrouw zich te weer stelt tegen een persoon die ontuchtelijke handelingen ten opzichte van haar pleegt.
  • Een strafuitsluitingsgrond betekent dat men wel een strafbaar feit heeft gepleegd, maar dat men uitgesloten wordt van straf.
  • Ogenblikkelijk: Een ogenblikkelijk gevaar is vereist. Het gevaar zal ook onmiddellijk dreigend moeten zijn en er moet ook onmiddellijk op verdedigd worden. Er zit geen bedenktijd tussen het gevaar en de reactie.
  • Wederrechtelijke aanranding: wil zeggen dat er een stafbaar feit gepleegd moet worden. Dit is een menselijke gedraging. Een aanval door een hond (zonder baas) kan nooit onder noodweer vallen. (dit is dan overmacht)
  • Voorbeeld:
  • Een baas hitst een hond aan tegen een boa. De hond valt de boa aan. Voordat de hond bij de boa is, schopt de boa de hond. De baas van de hond doet aangifte van vernieling. De boa beroept zich op de strafuitsluitingsgrond Noodweer.
Categorie: 
Strafuitsluitingsgronden